verplicht

Welke ahadith zijn er over het vasten tijdens een reis?

“De maand Ramadan is het waarin de Koran is neergezonden, als Leiding voor de mensheid en als duidelijke bewijzen van de Leiding en de Foerqan. Wie van jullie aanwezig is in de maand, laat die dan vasten, maar wie ziek is of op reis, dan is er een aantal andere dagen (om de vasten in te halen). Allah wenst voor jullie het gemakkelijke en Hij wenst niet voor jullie het ongemak. En maakt het aantal (dagen) vol en prijst Allah’s Grootheid omdat Hij jullie leiding schonk, hopelijk zullen jullie dankbaar zijn.” Uit de ayah (2:185) kan worden opgemaakt dat de persoon die moeite gaat ondervinden tijdens zijn reis, het vasten later kan inhalen.

In het leven van de Profeet Mohammed (vzmh) zien we twee gebeurtenis die dit bevestigen:

1. Djabir (moge Allah tevreden met hem zijn) heeft overgeleverd:

In het jaar van de Overwinning van Mekka begaf de Boodschapper van Allah zich op reis naar Mekka (in de maand Ramadan). Totdat zij de plaats genaamd Koera al Gamim bereikten vastten Hij en zijn Metgezellen. Daarna vroeg hij om beker water en hij hield de beker omhoog. Iedereen keek naar de beker. Daarna dronk hij van het water. Sommigen zeiden: “Een deel van ons heeft gevast.” De Boodschapper van Allah zei daarop: “Zij zijn opstandig. Zij zijn opstandig!” (Moeslim, Siyam 90; Tirmidhi, Sawm 18; An-Nasaai, Sawm 49)

De Profeet (vrede zij met hem) noemt hen niet opstandig, omdat ze onrust veroorzaken, maar omdat zij in de hitte van de woestijn, tijdens een belangrijke reis zichzelf hebben uitgeput. Ondanks dat de Profeet (vrede zij met hem) hen opdroeg om het vasten te verbreken, bleven zij doorgaan met vasten. Daarom hebben zij zichzelf onrecht aangedaan.

2. Djabir (moge Allah tevreden met hem zijn) heeft ook overgeleverd over het vasten in moeilijke omstandigheden:

De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) was op een reis. Hij zag een man, wie omsingeld was door mensen. Zij vormden een schaduw voor hem. De Profeet (vrede zij met hem) vroeg:

“Wat heeft hij?” Zij antwoordden: “Hij is een vastende man! ”Daarop zei de Profeet (vrede zij met hem): “Vasten gedurende de reis behoort niet tot ‘birr’ (daden die de tevredenheid hebben van Allah) (Boechari, Sawm 36; Moeslim, Siyam 92; Abu Dawoed, Sawm 43)In de ayah wordt namelijk vermeld: Allah wenst voor jullie het gemakkelijke en Hij wenst niet voor jullie het ongemak.

Als een gelovige zichzelf in moeilijke omstandigheden sleurt, terwijl het geloof hem/haar makkelijkheden aanbiedt, dan is dat een onrecht tegenover de gunsten van Allah, waarvan het lichaam er een van is. Het gemak van het geloof heeft de Profeet meerdere malen herhaald zoals in het volgende voorbeeld:

Muhammed ibn Ka’b heeft overgeleverd:

Op een dag in Ramadan kwam ik bij Anas ibn Malik (moge Allah tevreden met hem zijn). Hij bereidde zich voor op een reis. Hij maakte zijn kameel gereed en trok zijn reiskleding aan. Hij liet voedsel brengen en at vervolgens van het voedsel. Ik zei tegen hem: “Is het soennah” (om het vasten te verbreken wanneer een persoon op reis gaat)? Hij antwoordde: ”Ja” en vertrok op reis. (Tirmidhi, Sawm 76)

In de volgende ahadith zien we dat de Profeet (vrede zij met hem) toestemming heeft gegeven om te vasten in de maand Ramadan wanneer de omstandigheden minder zwaar zijn:

Aisja (moge Allah tevreden met haar zijn) heeft overgeleverd:

Hamza ibn Amr al-Aslami (moge Allah tevreden met hem zijn) vroeg de Profeet (vrede zij met hem) over het vasten tijdens de reis. Hij was iemand die zelf veelvuldig vastte. De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) gaf het volgende antwoord:- “Als je wenst te vasten, vast. En als je niet wenst, vast dan niet.” (Boechari, Sawm 33; Moeslim, Siyam 103; Moewatta, Siyam 24; Tirmidhi, Sawm 19; Abu Dawoed, Sawm 42)Anas (moge Allah tevreden met hem zijn) heeft overgeleverd:

Wij waren op reis met de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem). Een deel van ons vastte en een deel vastte niet. De vastenden veroordeelden de niet-vastenden niet. Noch veroordeelden de niet-vastenden de vastenden. (Boechari, Sawm 37; Moeslim, Siyam 98, Moewatta 23; Abu Dawoed, Sawm 42)

De voorbeelden die hierboven zijn gegeven geven duidelijk aan dat in moeilijke omstandigheden het beter is om het vasten te verbreken. In de huidige tijd (waarin er bijna geen sprake is van moeilijke omstandigheden) is het beter voor de gelovige om de voorkeur te geven aan het vasten tijdens de reis. Een voorbeeld uit de tijd van de Profeet (vrede zij met hem):

Salama ibn Muhabbak (moge Allah tevreden met hem zijn) heeft overgeleverd:

De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft gezegd:- “Wie op reis de maand Ramadan ‘tegemoet komt’ en voldoende voedingsmiddelen bij zich heeft om zichzelf te voeden en een voertuig heeft om zichzelf tot de bestemming te verplaatsen, waar hij zich dan ook bevindt, laat hem vasten.” (Abu Dawoed, Sawm 44)

In de Koran (2:184) wordt vermeld dat de zieke en de reiziger het vasten op een ander tijdstip kunnen inhalen, maar tegelijkertijd wordt ook gezegd: “En jullie vasten is beter voor jullie, als jullie dat maar weten.”

Uit de ahadith en de verzen van de Koran kan het volgende worden samengevat:

• Omdat de reis een zware en afmattende bezigheid is, heeft de islam gemak geboden bij het gebed en het vasten.

• Tijdens de reis wordt het gebed korter gebeden (2 rakât in plaats van 4 rakât)

• Men is vrij de keuze te maken betreft het vasten. Zoals in de ayah ook duidelijk wordt vermeld, is het toegestaan om het vasten die dag te verbreken en op een andere dag in te halen.

• Hier geeft de islam toestemming voor en dit is een gemak vanuit het geloof. Maar wanneer het zeer makkelijk is om te vasten en tijdens de reis zal geen moeilijkheden worden ervaren, dan is het beter om te vasten en er zal een hogere beloning voor zijn.

• In de huidige tijd zijn de omstandigheden zeer gunstig. Waar vroeger een reis weken tot zelfs maanden kon duren, duurt een reis tegenwoordig slechts enkele minuten of uren. Daarom dient men dit gemak niet te misbruiken. Als er geen reden is om het vasten te verbreken, dan is het beter om te vasten gedurende de reis.

Welke mensen zijn vrijgesteld van het vasten?

Elke moslim zonder verstandelijke beperking(en), die de pubertijd heeft bereikt en geen reden heeft om niet te vasten, is verplicht om in de Ramadan te vasten.

De islam belast niemand met iets wat hij of zij niet aankan. Tijdens nood biedt de Islam een aantal uitwegen. Degenen die voldoen aan de hieronder vermelde redenen hoeven niet te vasten, op voorwaarde dat zij de gemiste dagen inhalen of, indien niet mogelijk, hoort er daarvoor in de plaats de zo geheten “fidye” betaald te worden.

a) Reizen

Tijdens het reizen is het toegestaan om niet te vasten. De niet gevaste dagen dienen later ingehaald te worden. In de edele Koran staat: ‘’ O jullie die geloven, het vasten is jullie verplicht gesteld, zoals het ook verplicht was voor degenen vóór jullie, hopelijk zullen jullie (Allah) vrezen. (Vast) een vastgesteld aantal dagen. Maar diegene die van jullie ziek is, of op reis, dan een aantal andere dagen. En op degenen die slechts met grote moeite kunnen vasten (en het dan niet doen) rust de plicht van fidye: het voeden van een arme. Maar degene die vrijwillig meer (dan verplicht is) geeft: dat is beter voor hem. En dat jullie vasten is beter voor jullie, als jullie dat maar weten.” (Baqara 2/183-184)

Wanneer iemand ‘s nachts de intentie heeft om te vasten en overdag op reis gaat, hij mag zelf bepalen of hij zijn vasten wil verbreken of niet. Wanneer iemand s’ nachts de intentie heeft om te vasten en overdag gedwongen moet reizen, mag hij zijn vasten verbreken mits hij moeilijkheden gaat ervaren; echter wordt het voltooien van zijn vasten geschikter gezien. Toen de profeet op tocht ging voor de verovering van Mekka, vastte hij. Echter verbrak hij zijn vasten toen hij aankwam in een gebied genaamd Kedid. (Boecharí, Savm, 34; Moeslim, Siyam, 15) Deze gebeurtenis toont aan dat verbreking van het vasten mogelijk is tijdens reis.

b) Ziekte

Iemand met een ziekte die verergerd of verlengd wordt wanneer hij vast, hoeft niet te vasten tijdens de Ramadan. Na herstel hoort hij de gemiste dagen in te halen. Dit geldt ook voor een persoon die van een bevoegd iemand te horen krijgt dat hij ziek zal worden als hij zou vasten.

c) Zwangerschap en borstvoeding

Een zwangere vrouw die schade zou toebrengen aan haarzelf of haar kind door te vasten, hoeft niet te vasten. Een vrouw met een baby aan wie zij borstvoeding geeft, hoeft ook niet te vasten als haar borstvoeding hiermee gehinderd wordt of haar kind schade oploopt vanwege haar vasten. De profeet (vzmh) heeft hiervoor toestemming gegeven. (Nesai, Siyam, 50-51, 62; Ibni Mace, Siyam, 3)

d) Het uitoefenen van moeilijke en afmattende beroepen

Iemand die verwacht schade aan zijn gezondheid toe te brengen door te vasten, hoeft niet te vasten. In dit geval zal het vasten ingehaald moeten worden op de vrije dagen of op andere geschikte dagen.

Iemand die genoodzaakt is om vastend zware arbeid te verrichten en hiermee zijn gezondheid in gevaar te brengen, moet, als hij er voor kiest om niet te vasten, de niet gevaste dagen van de maand Ramadan inhalen op een geschikte dag.

In de edele Koran staat: ‘’ De maand Ramadan is het waarin de Koran is neergezonden, als Leiding voor de mensheid en als duidelijke bewijzen van de Leiding en de Foerqan. Wie van jullie aanwezig is in de maand, laat die dan vasten, maar wie ziek is of op reis, dan is er een aantal andere dagen( om de vasten in te halen). Allah wenst voor jullie het gemakkelijke en Hij wenst niet voor jullie het ongemak. En maakt het aantal (dagen) vol en prijst Allah’s grootheid. Omdat Hij jullie leiding schonk. Hopelijk zullen jullie dankbaar zijn.” (Baqara; 2/ 183-185)

e) Ouderdom

Iemand die te oud is om te vasten, kan daarvoor in de plaats de zogeheten “fidye” geven. In soera el Baqara vers 184, staat dat dergelijke mensen in plaats van vasten, fidye moeten betalen omdat vasten onmogelijk is voor hen. Dezelfde regel geldt voor mensen met een ongeneesbare ziekte die noodgedwongen vanwege hun ziekte, hun vasten niet kunnen uitvoeren.

Waarom is het dragen van een hoofddoek verplicht?

Moslims, mannen en vrouwen, worden opgedragen bepaalde delen van hun lichaam te bedekken. De Koran zegt: “Zeg tot de gelovige mannen dat zij hun ogen neergeslagen houden en dat zij hun passies beheersen. Dat is reiner voor hen. Voorzeker, Allah is wel op de hoogte van hetgeen zij doen. En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij ook hun ogen neergeslagen houden en hun passies beheersen, en dat zij hun schoonheid niet tonen dan hetgeen ervan zichtbaar moet zijn, en dat zij hun hoofddoeken over hun boezem laten hangen, en dat zij hun schoonheid niet tonen behalve aan (…)” (24:30-31)

De verzen vervolgen met een lijst van mannelijke familieleden die de uitzonderingen op deze regel vormen.

Het gezichtspunt van de islam is, dat met inbegrip van de mens, het hele universum door Allah (God) geschapen is. Allah heeft ons onze lichamen en de omgeving waar in we leven toevertrouwd en ons daarom opgedragen deze tegen fysieke en spirituele schade te beschermen. Voor gelovigen is het vanzelfsprekend dat zij Allah, die in openbaringen bepaalde richtlijnen en principes uiteen heeft gezet om het geluk van de mens te waarborgen, volgen.

Zowel mannen als vrouwen hebben hun verantwoordelijkheden tegenover Allah. Allah heeft elk individu met verschillende kwaliteiten en eigenschappen geschapen. Afhankelijk van hoe men omgaat met waarmee hij/zij is bevoorrecht of benadeeld, wordt men hierop afgerekend in het hiernamaals. Men moet verantwoording afleggen voor hetgeen wat men op aarde heeft gedaan als vrouw of man en hoe men is omgegaan met de gunsten en gebreken die hem of haar zijn geschonken. Of een man bevoorrecht is of dat een vrouw bevoorrecht is, hangt zeer af van wat ze met deze voorrechten doen.

Een klein voorbeeld:

Dat een vrouw een hoofddoek moet dragen wordt veelal gezien alsof de vrouwen worden benadeeld ten opzichte van de mannen. In de bewering van sommigen: ‘omdat de mannen hun lusten niet in bedwang kunnen houden moeten vrouwen een hoofddoek dragen.’ Dit is zeker niet het geval. Vrouwen dragen een hoofddoek enkel en alleen voor Allah, omdat Hij het wil. Hierdoor wordt het dragen van een hoofddoek een vorm van aanbidding, omdat je het voor Allah doet. Een vrouw met een hoofddoek die hiervan bewust is, verricht als het ware de hele dag aanbidding. Iedere seconde dat ze haar hoofddoek om heeft, wordt toegeschreven alsof ze aanbidding verricht. Dit is een grote gunst die Allah aan de vrouwen heeft geschonken. Het ervaren van een kleine moeite en last op deze wereld door het dragen van een hoofddoek, zal in het hiernamaals resulteren in een grote beloning.

Is een hoofddoek dus een last of een voorrecht voor vrouwen? Als men met een wereldse materialistische bril kijkt is de hoofddoek een symbool van onderdrukking, maar gezien vanuit de islam en gericht naar het hiernamaals is de hoofddoek een verheven bevoorrechting voor een vrouw.

De kwestie van het bedekken is nauw verbonden met de kwestie van naaktheid. Het benadrukken van seksualiteit in hedendaagse culturen zorgt ervoor dat vrouwen als lustobject behandeld worden. De kledingvoorschriften van de islam hebben als doel dit een halt toe te roepen en het richt de seksualiteit op het privé-leven van rechtmatige partners. De islam schrijft voor dat dames zonder hun seksualiteit te benadrukken op gelijke wijze behandeld worden als mannen. Daarnaast draagt de islam voor dat vrouwen hun lichamen en haren bedekken. Ter bescherming van haarzelf kan een vrouw zich bescheiden kleden, waarmee zij de tevredenheid van Allah kan werven. Hetzelfde kan geopperd worden voor de man. Ook hij kan zich bescheiden kleden ter eigen bescherming en om de tevredenheid van Allah te werven.

Wanneer een moslimvrouw de (leeftijd van) puberteit bereikt, wordt het bedekken van de haren een verplichting. Sommige ouders vragen hun dochters al eerder om hun haar te bedekken, zodat zij eraan gewend raken, mits zij het zelf ook wilt dragen. In de kern gaat het om de eigen wil van de drager, zodoende is er geen ruimte voor dwang.

Vrouwen dienen hun hele lichaam, met uitzondering van het gezicht en de handen (en volgens de Hanafi wetschool ook de voeten), te bedekken. Mannen dienen ook de belangrijke delen van hun lichaam, van de buik tot aan de knieën, te bedekken. Zolang aan deze plicht wordt voldaan, wordt het uiteindelijke soort kleding dat gedragen wordt en de kleur ervan, aan het individu overgelaten. Vanzelfsprekend bedekken vrouwen, of ze nu moslim zijn of niet, in het dagelijks leven de meeste delen van hun lichaam. Het bedekken van het gezicht is niet verplicht in de islam. Sommige vrouwen kunnen er uit godsvrucht voor kiezen dit te doen. Ook zijn culturele gebruiken de reden van dit gebruik in landen (als Iran of Afghanistan) waar dit veel voorkomt.

Het niet bedekken van het haar, of er nog niet klaar voor zijn om aan deze verplichting te voldoen, hoeft een vrouw er niet van te weerhouden in God te geloven en de islam als religie te kiezen. Bovendien weerhoudt dit vrouwen er zeker niet van andere, belangrijkere aspecten van de islam uit te dragen.

Enkele nieuwe moslima’s hebben het volgende te zeggen over hun ervaringen met het bedekken van hun haar en de rest van hun lichaam:

“Ik draag de hijab (sluier) nu drie jaar. Voor mij is het zeer bevrijdend geweest. Om eerlijk te zijn, stelt het je in staat een persoon te zijn en niet slechts een vrouw/ding om naar te kijken. Mensen luisteren naar je. Ik was altijd nogal zwaar … Toen ik het gewicht weer kwijt was, merkte ik de blikken en dingen op, wanneer iemand bijvoorbeeld met je praat terwijl hun ogen naar je borst(en) kijken. Met de hijab merk ik dat dat is verdwenen.”

“Het dragen ervan zorgt ervoor dat wanneer mensen naar me kijken, ik het gevoel heb dat ze niet naar me kijken vanwege hoe mijn lichaam er uit ziet, maar vanwege wat ik doe en bijdraag.”

“Ik doe het omdat dat is wat God geboden heeft. Daarnaast draag ik het ook als vorm van bescheidenheid. En het beschermt ons tegen seksuele hinderlijkheden. Ik zag hoe mannen naar een vrouw met een korte rok keken, over haar spraken en lachten en ik dacht: “Zij hebben geen enkel respect voor vrouwen. Ik ben er dankbaar voor dat vrouwen in mijn religie gerespecteerd worden.”

Wat houden de 5 zuilen van de Islam in?

In de woorden van Profeet Mohammed, vrede zij met hem, wordt de beoefening van de islam in ‘vijf zuilen’ samengevat:

1. De geloofsbelijdenis (sjahadeh): de mondelinge belijdenis en getuigenis dat “er geen God is dan Allah en Mohammed de Boodschapper van Allah is,” wordt als de geloofsbelijdenis van de islam beschouwd. Iemand wordt moslim na het betuigen van deze belijdenis.

2. Gebeden (salaat): het verrichten van de vijf korte dagelijkse gebeden is verplicht.

3. Vasten (saum): vasten is zich ten tijde van de Ramadan gedurende een dag van zonsopgang tot zonsondergang volledig onthouden van eten, drinken en intieme gemeenschap (tussen echtelieden).

4. Zuiverende aalmoes (zakaat): dit is een jaarlijkse betaling van een klein percentage (meestal 2,5 %) van het bezit, dat onder de armen en andere begunstigden verdeeld wordt.

5. Bedevaart (hadj): indien men hier fysiek en financieel toe in staat is, is het één keer in het leven verplicht de bedevaart naar Mekka te volbrengen. De hadj wordt gedeeltelijk in herinnering aan de voetsporen en tegenslagen van profeet Abraham (vzmh), zijn vrouw Hagar en zijn oudste zoon profeet Ismael (vzmh) verricht.

Om de relatie tussen de vijf zuilen en het ethische waardensysteem van de islam te begrijpen, dienen we te kijken hoe het gedrag van mensen de samenleving beïnvloedt. De mens heeft bepaalde gevoelens en krachten, als woede, intelligentie en verlangens (seksuele verlangens, honger etc.) gekregen om zijn leven op aarde te kunnen leven. Deze emoties en krachten zijn echter losgelaten om mensen ertoe te bewegen daar een evenwicht in te vinden en hun potentieel en ontwikkeling op de juiste wijze op gang te brengen.

Tussen ontelbare mogelijke afwijkingen, bevindt zich het gewenste evenwicht tussen deze emoties. Omdat we, om in onze behoeften te voorzien, samen moeten leven, bestaat het gevaar dat mensen die wat deze emoties betreft geen balans bereikt hebben, in meer of mindere mate de rechten van anderen zullen schenden. Om in een beschaafde samenleving gerechtigheid tot stand te brengen, dient er dus een wet en aanvullend ethisch waardesysteem te zijn. Het invoeren van wetten en ethische waardesystemen is echter niet genoeg om er zeker van te zijn dat mensen zich daar ook aan zullen houden, noch is het haalbaar om iedereen voortdurend in de gaten te houden. Om ervoor te zorgen dat het schenden van andermans rechten tot een minimum beperkt blijft en om orde, harmonie en gerechtigheid in de samenleving tot stand te brengen, hebben we een manier nodig om ons bewustzijn te ontwikkelen.

Dit is waar de vijf zuilen van de islam in beeld komen. Met het afleggen van de islamitische geloofsbelijdenis wordt het teken van geloof gemarkeerd en verplicht iemand zich om op de Dag des Oordeels verantwoording af te leggen aan Allah. Door te vasten wordt de wilskracht versterkt, wat het makkelijker maakt om de verleiding om het recht van anderen te schenden, te weerstaan. Meditatie en herdenking van Allah tijdens de vijf dagelijkse gebeden herinnert de mens eraan dat Allah Immer-Aanwezig en Alziend is, wat de kans om verkeerde dingen te doen flink doet afnemen. De zuiverende aalmoes slaat een brug tussen de rijken en de armen en neemt veel sociale onvrede en redenen tot schending van andermans rechten weg. Tenslotte, bereiken mensen door de bedevaart hogere niveaus van menselijke waardigheid. De niet te evenaren ervaring van universaliteit zorgt ervoor dat mensen meer dan wat dan ook, menselijkheid gaan waarderen.

Ethisch gezien biedt de islam niet alleen verheven ethische waarden. Door individuen met mentale en spirituele vaardigheden uit te rusten en ze in staat te stellen negatieve neigingen te overwinnen, worden tevens de motieven van mensen, om de rechten van anderen te schenden geminimaliseerd.

Waarom stelt Allah het verplicht om gebeden uit te voeren?

In dit uitgestrekte heelal bevindt de mens zich onder omstandigheden waarin hij erg behoeftig en afhankelijk is. De mens is niet almachtig, noch kan hij zich alleen in zijn onderhoud voorzien. Alleen om te overleven is hij voortdurend afhankelijk van zaken van vitaal belang, die niet geheel binnen zijn handbereik liggen. Tegelijkertijd is hij zwak en erg kwetsbaar: Hij kan onder veel situaties gebukt gaan die zijn meest gekoesterde verlangens doen wegjagen. Hij wordt in beslag genomen door zorgen, ziektes en rampen, die een levenswerk in een oogwenk kunnen ruïneren.

Hij kan er niet om heen om in zijn contact met zijn omgeving, met het aantal en verscheidenheid aan planten, bomen, dieren, rivieren en bergen en in zijn contact met de grootsheid der hemelen, na te denken over zijn zwakte en betrekkelijke onbeduidendheid. De overpeinzing en het diepgaande inzicht in zijn hulpeloosheid en kleinheid in vergelijking tot de ontzaglijke harmonieën en de grootschalige orde om zich heen, maakt iets in hem wakker dat diep in zijn ziel ingebed ligt en dat hem beweegt tot erkenning van het goddelijke en Zijn aanbidding. Hij is verplicht om achter of voorbij de fysieke wereld, het bestaan van een grote, mysterieuze kracht te aanvaarden die controle uitoefent op alles wat bestaat. Aangezien alles wat hij kan waarnemen duidelijk afhankelijk is van weer iets anders en aangezien alles vergankelijk is, kan geen van wat hij kan zien of aanraken datgene zijn wat hij moet aanbidden. Veel eerder brengen ervaring en verstand hem tot de conclusie dat er achter de zichtbare en tastbare harmonie van het heelal een Hoogste Zijn, een Voortreffelijke Wil aanwezig is die alles leidt en controleert en derhalve zijn doel van aanbidding moet zijn.

Door nauwgezet het bestaan te overdenken, krijgt de mens besef van de allesomvattende wetmatigheid en orde, de uniformiteit en regelmaat van alle dingen en voorvallen en hun gehoorzaamheid aan een Almachtige Wil binnen het heelal. Hij realiseert zich zodoende dat binnen die wetmatigheid en orde alles een eigen rol heeft die zijn doel of plicht vormt. Omdat hij zelf een deel binnen het geheel is, komt hij tot het besef dat zijn bestaan geen doelloze gebeurtenis kan zijn, maar dat ook hij een doel te realiseren, een taak te volbrengen heeft.

Observatie van het bestaan vanuit de schoonheidsleer, geeft hem de bevinding dat het uitblinkt op een niet na te bootsen wijze. Van de menselijke gedaante zelf tot de levendige schoonheid van de talloze vormen en kleuren op aarde en de schoonheid van de sterren en planeten, raakt alles hem in zijn diepste en doet hem meer dan alleen ontzag inboezemen. Het geeft een vurig verlangen om de Maker en Eigenaar van dit, wat zijn ziel en gevoelens zo in verrukking brengt en bekoort, te leren kennen. Het is alsof alles in een andere wereld ontworpen en gemaakt is en daarna gepresenteerd wordt aan de mens opdat hij zijn verwondering kan uitspreken, terwijl hij er gebruik van maakt.

De mens krijgt de wereld aangeboden als een tafel, overvloedig bedekt met allerlei fruit en spijzen en versieringen van elke soort voor zijn gebruik en genot. Telkens wanneer hij zijn hand uitstrekt naar zo’n geschenk, voelt hij onvermijdelijk de aanwezigheid van de Schenker, waardoor hij een nog groter plezier en bewondering beleeft. Waren baby’s bij machte om gedachten te kunnen formuleren en uit te drukken, dan zouden ze zeker zeggen dat de melk die ze zuigen als van een andere wereld is, waar deze naar hun behoefte is klaargemaakt. Ze zouden dan dankbaarheid en eerbied tonen aan Hem die hen op deze wijze via hun moeders borst voedt.

In formele religieuze termen zouden we zeggen dat gevoelens en begrippen zoals die door de natuur opgewekt worden in het menselijke bewustzijn, een stadium zijn van bevestiging van de Schone Namen en Attributen van de Maker die zich door zijn creatie kenbaar maakt. Elke lof, elke pracht en elke schoonheid vertelt over degene die haar schiep, mogelijk maakte of voorzag. Elk systeem, evenwicht en orde duidt op iemand die het instelde en voortdurend in stand houdt. Alles bij elkaar genomen voelt de mens zich verplicht om dankbaar te zijn voor alle geschenken die hij ontvangt en Allah te aanbidden als antwoord op Zijn bekendmaking van zichzelf.

Voortbouwend op dit feit zeggen de Moe’taziles, en tot op zekere hoogte de Matoerides, dat als er geen Profeten waren gezonden en er geen leidraden (moershids) waren om mensen te begeleiden in de goede richting, dan nog zou de mens verplicht zijn geweest om Allah te kennen en juist te handelen, eenvoudigweg door te kijken naar de gebeurtenissen die zich in het heelal manifesteren. Er is ook enige aanwijzing die dit argument ondersteunt. Voor de komst van de islam waren veel mensen, inclusief Mohammed, vrede zij met hem, later de Boodschapper van Allah, geboren in het hart en citadel van het heidendom en veelgoderij, Mekka: niemand toonde hun de weg naar Allah, niemand sprak tot hen, zelfs niet tot Mohammed, vrede zij met hem, over de Eenheid van Allah (tawhid). Desondanks was er een nomade in de woestijn, een bedoeïen, die zei: ”Uitwerpselen van een kameel wijzen op de aanwezigheid van een kameel, voetsporen op het zand spreken van een reiziger. Is het dan niet zo dat de hemel met haar sterren, de aarde met haar bergen en dalen en de zee met haar golven wijzen op de Maker, de Almachtige, de Alwetende, de Wijze en de Zorgzame?”

Als een eenvoudige bedoeïen, wiens kennis zich beperkte tot de woestijn, al zulke gewaarwordingen kon hebben, wat te zeggen dan van anderen, zoals de man die later tot Boodschapper van Allah werd benoemd, Mohammed, vrede zij met hem, wiens diepgaande gewaarwordingen en begrip de wereld zouden redden? Lang voordat de goddelijke Openbaring kwam, realiseerde hij zich de bedoeling van het bestaan, “voelde” de Waarheid (al-Haq) in het grote boek van het heelal en begon er naar te zoeken. Hij trok zich terug in de grot van Hira en wijdde zich geheel aan meditatie. Citerend van Khadijah, vertelt Aisha in een hadith, die opgenomen is in Boechari’s grote Sahih (B, Bad’al-Wahy, 3), dat Mohammed, vrede zij met hem, zich geheel aan het gebed toewijdde, en slechts zo nu en dan terugkeerde om wat proviand te halen. Dit zou erop kunnen wijzen dat de mens de capaciteit heeft om enige graad van kennis te bereiken en zo Allah te dienen volgens zijn eigen gewaarwordingen en begrip.

Het is nuttig om de laatste woorden en gedachten van Zaid bin Amr, de oom van Umar ibn al-Khattab, te vermelden. Deze man leefde niet lang genoeg om het profeetschap van Mohammed, vrede zij met hem, mee te maken, maar intuïtief voelde hij de waarheid van de Islam en de betekenis en belang van de komende Profeet Mohammed, vrede zij met hem. Hij wist niet hoe hij datgene wat hij bijna ten volle voelde, moest benoemen. Hij verzamelde zijn familieleden rond zijn sterfbed en zei: ”Het licht van Allah schijnt aan de horizon. Ik ben ervan overtuigd dat het spoedig in zijn geheel zal opkomen. Ik voel reeds zijn tekenen boven onze hoofden.” Sprekend tot Allah vervolgde hij: ”O Grote Schepper! Het is mij niet mogelijk gebleken U echt te kennen. Had ik U wel gekend dan had ik mijn gezicht tegen de grond gelegd voor U en was ik nooit in afwachting van Uw gunst overeind gekomen.” (Ibn Sad: Tabaqat, 1: 161-2; Ibn Hajar: al-Iasaba). Blijkbaar kan een zuiver geweten, dat niet bedorven en bevooroordeeld is door het heidendom en veelgoderij, door de pracht en harmonie van de schepping te beschouwen, begrijpen wat de positie van de mens binnen die schepping is, en trachten Hem die hem geschapen en alles geordend heeft, te dienen en te behagen.

Het kennen van Allah impliceert Zijn aanbidding. Aangezien Hij ons in allerlei gunsten voorziet, is Hem dienst verschuldigd. Te midden van alle zegeningen bevindt zich de zegening van het gebed zelf met de juiste handelingen en middelen. Allah formuleert voor ons de gebeden om te voorkomen dat wij in een stuntelige ijver hem te behagen, op ongepaste of dwaze wijze zouden spreken of ons zo zouden gedragen. Anders was het wellicht mogelijk te kunnen getuigen van mensen die woorden uitkramen als: waar zijn Uw knieën, O Heer, om mijn gezicht erop te zetten, of Uw hand om mij te troosten en andere onbeschaamde en misleidende uitdrukkingen.

Openbaring redt de mens van deze onwetendheid en leert hem hoe hij moet bidden. Dus door de openbaringen van Allah via Zijn Boodschapper ontdekken we dat we, om passend de staat van gebed te betreden, bepaalde regels moeten volgen. Voordat men begint moet men zich reinigen (woedoe). Aan het begin moet men “Allahoe akbar” zeggen, wat betekent dat Allah groter is dan alle hoofdbezigheden en afleidingen, groter dan de mens zelf (nafs), hetgeen betekent dat alleen Allah groot is. Om overgave aan te geven moet men in vredige en eerbiedige stilte gaan staan met beide handen voor zich in elkaar gebonden. Vanaf dat moment moet men zich zo volledig en diep mogelijk concentreren als mogelijk. Dan, afhankelijk van zijn graad, kan men spiritueel de Hemelvaart, die de Geliefde Profeet, vrede zij met hem, is gegund, meemaken. In overeenkomst met de kwaliteit van zijn concentratie en oprechtheid ervaart men het verlangen en het plezier om op te stijgen naar de oorden waarheen de Profeet, vrede zij met hem ook is opgestegen. Terwijl men innerlijk omhoog klimt, knielt men lichamelijk, eerbiedig, om zijn overgave te vernieuwen en zijn nederigheid uit te drukken. Door zo te handelen ervaart men een andere staat in zijn dienst en men werpt zich in nog meer ontzag en nederigheid neer.

Overeenkomstig met de diepte van zijn overgave hier, kan men verschillende oorden betreden. In de hoop op vooruitgang tilt men het hoofd even op van de eerste onderwerping (prosternatie) om te rusten en zich opnieuw voor de tweede keer neer te werpen. Op dat moment kan men de betekenis van de volgende hadith in Sahih Moeslim ervaren: “Nooit is de onderdaan dichter bij Allah, dan wanneer hij zich in Zijn aanbidding prosterneert” en de betekenis van het vers: Wie ziet jou wanneer je staat en jouw bewegingen te midden van hen die zich nederwerpen? (Koran 26:218-219)

Het gebed in zijn vorm die ons door duidelijke onderwijzing en leiding wordt geleerd, is de beste aanbidding die voortvloeit uit die liefde en ontzag voor overgave aan Allah en die geloof in Hem en kennis van Zijn goddelijke aanwezigheid teweegbrengen. Om niet ongepast of onnozel te spreken en te handelen, volgen we de door Allah en Zijn Profeet, vrede zij met hem, voorgeschreven patronen, aan de hand waarvan we Hem behagen en doen wat goed voor onze bestwil is.

Elk moment van het leven hebben we behoefte aan hulp, leiding en advies. Stel je eens voor dat een vriend je benadert en goede raad geeft over het beheren van je zaak; hier moet je bezuinigen, daar investeren, ga zo te werk om niet bedrogen te worden, zo kun je je arbeidskracht efficiënter benutten, enzovoorts, en dat deze vriend je niets aanrekent wat betreft jouw opvolging of afwijzing van zijn advies. Tenzij je je verstand hebt verloren, volg je natuurlijk zijn raad. Net zo gaan we de valkuilen van buitensporigheid en ongepastheid uit de weg, door het gebed te verrichten op de door Allah voorgeschreven wijze, en ontvangen we gunst en zegeningen die buiten onze voorstelling te boven gaan.

Door “Allahoe akbar” te zeggen is het net of we op een knop drukken die voor ons de goddelijke Rahman (Genade) opwekt, en waarbij onze zielen worden aangezet tot een tocht zoals de Hemelvaart van de Profeet, vrede zij met hem. Het reciteren van Soera “Al Fatiha”, de openingssoera van de Koran, lijkt de weg te openen naar het grootste mysterie. Met elk woord in feite, elke gebaar en beweging en hun vorm binnen het gebed, lijken we verborgen deurensloten en geheime deuren te openen die naar verborgen oorden en het eeuwig geluk leiden. Met het gebed worden alle wegen recht gemaakt en de deuren geopend; tevens worden onze recitaties en smeekbeden in de aanwezigheid van Allah aangehoord en de engelen verzamelen zich om ons heen wanneer we ons in oprechtheid neerwerpen.

Niemand kan beweren dat zulke dingen niet gebeuren. De overleveringen van de Profeet Mohammed, vrede zij met hem, verzekeren ons van dit gebeuren integendeel. Daarom wordt de vorm van het gebed dat door Allah is voorgeschreven het meest aanvaard. Wanneer iemand een machine koopt, is het onnozel, als hij niet de meegegeven instructies opvolgt, maar zijn eigen gang gaat. Op dezelfde wijze weet de Schepper hoe we het best kunnen handelen om in deze wereld en in het eeuwige leven hierna gelukkig te zijn. Dus is het wijs om de gebeden te verrichten in de vorm die door de Schepper is voorgeschreven en door Zijn Boodschapper, vrede zij met hem. In werkelijkheid zijn het alleen de Moslims wiens vorm van aanbidding, met zijn pracht en eenvoud, uitgevoerd wordt zoals door Allah is voorgeschreven en die Hem belieft. Dat is een grote gunst van Allah aan de moslims. Zij die zich door de eeuwen heen met de toestemming van Allah toegewijd hebben aan de hernieuwing en herleving van de Islam, zijn steeds het best en meest correct geweest in het gebed. En dat geldt vandaag de dag nog steeds. Wij zijn het die behoefte hebben aan het aanbidden van Allah; het is niet Allah die behoefte heeft om aanbeden te worden. Hij is vrij van alle behoeften. Moge Hij ons de gunst en eer verlenen Hem juist en oprecht te aanbidden.

Vanaf welke leeftijd is de salât verplicht?

Als je de pubertijd hebt bereikt moet je beginnen met bidden.

Pubertijd is voor meisjes: als ze beginnen met menstrueren.

Voor jongens: als ze hun eerste zaadlozing (natte droom) hebben gehad.

Onze Profeet, vrede en zegeningen zij met hem, adviseert om de kinderen al vroeg (op hun zeven jarige leeftijd) kennis te laten maken met het bidden.

(Eboe Dawoet – Salât 26)

Is het verplicht om de Sjahada uit te spreken?

Het geloof is iets wat uit het hart komt. Hierdoor is iemand al een gelovige indien die persoon gelooft in het bestaan en de eenheid van Allah en in de zuilen van het geloof, ook al heeft deze persoon nog niet de sjahada gedaan.

Omdat geloof een zaak is die uit het hart komt, hoeft een mens zijn geloof niet verplicht uit te spreken om een gelovige te zijn. Dus geloven met het hart zonder het uit te spreken betekent ook dat hij gelovig is. Om deze reden is het geen vereiste om het geloof uit te spreken of getuigen te hebben.

Wanneer iemand zijn geloof heeft uitgesproken en alle bevelen van de islam naleeft, maar niet gelooft met zijn hart, zal geen gelovige zijn voor Allah. Een overleden persoon die bekend stond als ongelovige en begraven is op een begraafplaats voor ongelovigen, maar die gestorven is met geloof in zijn hart, zal een gelovige zijn voor Allah, ondanks hij volgens ons een ongelovige was. Dus waar het werkelijk om gaat is hetgeen dat in je hart zit…

Doch is het van de soenna (gewoontes van de islam) om iets uit te spreken waarin je gelooft. Het is voor iemand beter om zijn geloof uit te spreken zodat anderen het weten, goed over hem denken en hij in zijn leven en dood wordt behandeld als een moslim.

Aan de andere kant wordt iemand ook als moslim beschouwd wanneer hij dingen deed die worden gezien als gewoontes van de Islam. Bijvoorbeeld: iemand die vroeger geen moslim was maar die is gezien toen hij bezig was met de salât (het rituele gebed), wordt bij zijn overlijden behandeld als een moslim en wordt begraven bij een begraafplaats voor moslims. Omdat de salât een van de (islamitische) gewoontes is.

Dus het is voor een mens het belangrijkst om te geloven met het hart. Het geloof uitspreken is van de soenna. Getuigen zijn belangrijk om ervoor te zorgen dat de islamitische principes worden uitgevoerd.

Een persoon die zijn geloof verbergt en de islam in het geheim belijdt om bepaalde redenen, telt dus ook.

En Allah weet het beste.